© Federatie van de heilige Clara.           Foto’s  alleen overnemen na  toestemming: Webmaster


Kom Heilige Geest

En zend uit de hemel

Een straal van uw licht


Kom, Vader van de armen

Kom, Gever van gaven

Kom, Licht van de harten



Beste Trooster

Zoete Gast van de ziel

Zoete Verfrissing


In arbeid rust

In onstuimigheid maat

In tranen troost






O allerheerlijkst Licht

Vervul het binnenste van het hart

Van uw gelovigen


Zonder uw goddelijk gezag

Is er niets in de mens

Is er geen onschuld












Was wat vuil is

Besproei wat verdord is

Genees wat gewond is


Buig wat verstard is

Verwarm wat verkild is

Leidt wat afgedwaald is
















Geef uw gelovigen

Die op U vertrouwen

De zeven heilige gaven


Geef de verdienste van deugd

Geef een heilvol eind

Geef voortdurende vreugde

SEQUENTIE VENI SANCTE SPIRITUS


KOM HEILIGE GEEST


Het eerste woord van de sequentie zet al meteen de toon: ‘Kom!’ Heel vrijmoedig, zonder omhaal van woorden, vragen we om de komst van de Geest. In de tweede strofe komen drie namen voor de Geest naar voren: Vader van de armen, Gever van gaven, Licht van de harten. Alle drie houden ze een relatie met ons in. Eveneens verwijzen ze al naar de werkzaamheid van de Geest. Toch is er met die namen iets vreemds aan de hand. Vader, Gever, Licht… ‘Vader’ is eerder een naam voor de eerste Persoon van de Drie- Eenheid en niet zo gauw voor de Geest. ‘Licht’ doet denken aan de proloog van het Johannes-evangelie: ‘In Hem was leven en dat leven was het licht van de mensen. (…) Het ware licht, dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld.’ De benaming ‘licht’ doet dus eerder aan Jezus denken. Tussen die twee ongewone namen staat de benaming die in het Nieuwe Testament centraal staat voor de Geest: Gever van gaven. Deze benaming staat ook centraal in de strofe en dat doet nog eens extra uitkomen dat de Geest de band is tussen de Vader en de Zoon. En hoe sterk die band en die Eenheid is blijkt uit het feit dat de Geest namen krijgt die gewoonlijk aan de andere twee worden gegeven. De Geest om wie wij bidden, is de Geest van God, is God. Met dit gebed zetten wij zo hoog mogelijk in: wij vragen om de komst van God zelf.


BESTE TROOSTER


De derde strofe toont de dynamiek van de Geest in één oogopslag: komen, verblijven en werkzaam zijn. Een dynamiek die we ook zien in het lied als geheel. We vragen om de Trooster. Deze benaming houdt niet alleen de noodzakelijke troost bij verdriet in, maar loopt ook al vooruit op de volgende benaming, daar het ook steun en bemoediging in eenzaamheid inhoudt, aanwezigheid dus, van iemand die ons in onze eenzaamheid nabij is. De aanwezigheid van de Geest, die Gast is in onze ziel. Dit doet denken aan wat Paulus meerdere keren zegt: ‘U bent een tempel van God en de Geest van God woont in u’, ‘… u leeft in de Geest, omdat de Geest van God in u woont’. En Hij, inwonende Gast zijnde, schenkt ons verfrissing, ís Verfrissing, wij kunnen bij Hem op adem komen. Deze drie namen wijzen vooruit naar de werkzaamheid in de volgende strofe. Zó werkt de Geest: Hij neemt de lasten en de zware arbeid niet weg, maar geeft ín die arbeid rust. De ups en downs in het leven zullen blijven, maar Hij leert ons de goede maat te houden. Hij houdt ons niet ver van verdriet en eenzaamheid, maar is wel de Trooster, die ín de tranen troost schenkt. Maar als wij de Geest als Gast in onze ziel willen, als wij daarom vragen, wordt er ook iets van óns gevraagd: dat wij er ruimte voor Hem maken, dat wij ons instellen op onze Gast, dat Hij ons doen en laten meebepaalt.


O ALLERHEERLIJKST LICHT


Dit zijn de centrale strofen van het lied. Ze vormen een bede tot de Geest om in de harten van de gelovigen te komen en tegelijk de erkenning dat er zonder het goddelijk gezag van de Geest niets in de mens is, niets onschuldigs. Sine tuo numine, staat er in het Latijn. Numine komt van het werkwoord nuere, dat ‘knikken’ betekent. Het houdt iets in van een knik, een wenk van een goddelijke macht. In feite erkennen we in deze strofe dat alles wat we doen, wat dan ook, niets is als de Geest er niet op de een of andere manier bij betrokken is. De Geest wordt hier licht genoemd, in het Latijn hetzelfde woord als in de eerste strofe. Maar wij bidden niet langer om een straal van zijn Licht, nee, wij bidden om het Licht zelf. En niet zomaar Licht, nee: het allerheerlijkst licht. Het allerheerlijkste Licht – de Geest – vervult het allerdiepste, het meest binnenste van het hart van de gelovige. Het roept de tekst van Paulus op: ‘Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Licht moet schijnen uit het duister’, is als een Licht in onze harten opgegaan.’ Ook Clara refereert aan deze tekst als ze het over haar roeping heeft: ‘Nadat de allerhoogste hemelse Vader mijn hart heeft willen verlichten.’ Dat was voor haar een ‘goddelijke wenk’ waardoor ze wist wat God van haar wilde. Clara stelt dit ook als criterium voor anderen: men moest komen op goddelijke ingeving, qua divina inspiratione. Hier komen de Heilige Geest (Spiritus!) en dat goddelijke gezag samen.


WAS WAT VUIL IS


In deze twee strofen horen we zes werkwoorden. Het zijn allemaal heel gewone werkwoorden en het gaat om hele herkenbare, alledaagse situaties. We komen allemaal – en misschien meer dan we graag toe zullen geven – van tijd tot tijd in dergelijke situaties terecht. Maar dan hoeven we niet te wanhopen, want de Geest is er om zijn werk in ons te doen. Maar op zijn manier. Hij bedekt niet wat vuil is, Hij verbloemt niets. Maar Hij wast ons. Op onze tocht door het leven zullen we ook door woestijnen heen moeten gaan. Maar als we van kracht tot kracht voort blijven gaan, schept Hij er een oase voor ons. Als we onze gewondheid, onze pijn, onze zwakke plekken durven aankijken, is Hij bij ons met zijn genezende werking. Waar wij, in relatie met onszelf, met anderen of met God verstard zijn geraakt of verkild, en wij in de waarheid durven gaan staan, zal Hij het verstarde weer buigen en soepel maken, zal Hij ons verwarmen. Waar wij van de weg af zijn geraakt, zal Hij ons weer leiden op de goede weg, als wij ons maar láten leiden. Clara heeft dit goed begrepen. Als zij in haar regel schrijft dat de zusters boven alles moeten verlangen naar ‘de Geest van de Heer en zijn heilige werking’, dan gaat aan die vermaning een andere vooraf: dat de zusters zich moeten hoeden voor afgunst en hebzucht, voor kwaadspreken en kankeren, voor tweedracht en verdeeldheid. En ervoor moeten zorgen onder elkaar steeds de eenheid van de wederzijdse liefde te bewaren. Lees: dat was – en is – niet vanzelfsprekend. Maar dat geeft niet: kom Heilige Geest!


GEEF UW GELOVIGEN


Het lied eindigt even vrijmoedig als het begonnen is: ‘Geef!’ De zeven heilige gaven waar we om vragen lezen we bij de profeest Jesaja: de Geest van wijsheid, verstand, raad, sterkte, kennis, vroomheid en vreze des Heren. Het zijn gaven die alle aspecten van ons leven, van ons mens-zijn raken. En dan wordt ook meteen duidelijk dat we nooit ‘klaar’ zullen zijn met vragen om de Geest, omdat er steeds weer nieuwe omstandigheden zich zullen voordoen, of dat we de omstandigheden in elk geval anders zullen beleven, omdat we zelf veranderen. Tot slot vragen we om de verdienste van deugd. Virtus betekent echter ook kracht, zoals in psalm 84: van kracht tot kracht voortgaan op de weg. We vragen om een heilvol einde van die weg. En als laatste vragen we om voortdurende vreugde. Hier wordt geen eeuwige vreugde mee bedoeld, een vreugde waar we wel nu al deel aan kunnen hebben, maar wat toch iets van eeuwigheid inhoudt. Nee, aan de Geest vragen wij hier om voortdurende vreugde: perenne gaudium. Perenne hangt samen met per annus, ‘door het jaar’. Eeuwige vreugde is buiten de tijd, voortdurende vreugde in de tijd. Vreugde dus in het gaan van de weg, met alle mooie en moeilijke kanten van het leven en van onszelf. Kom Heilige Geest!!!

SPIRITUALITEIT VAN DE HEILIGE CLARA /CLARISSEN